Op de Dorenberg bij Aarschot, in de zogenaamde Groef, waren er eertijds diepe holen, waarin de Alvermannetjes en hun vrouwtjes, de Hussen of Heihussen, verbleven. Daar hadden zij alle soorten woningen en kamers gemaakt. Die Alvermannetjes waren een klein volkje met een vreemde natuur, met bruinachtig vel, glinsterende ogen en zwart haar. Ze zwierven rond, stalen en plunderden als de kans zich voordeed, randden de voorbijgangers aan en deden allerlei schade. Als ze een beest doodgedaan hadden, gelijk een haas of een vos, kwamen zij bij de boeren en vroegen ketels en potten om het gereed te maken. En als ze niet kregen wat ze vroegen, deden ze lelijk met dreigementen en verwensingen en dan gingen ze het vragen aan een andere boer. Maar als ge hun vraag inwilligde, trokken ze naar de Groef met uw gerief. Was de ketel proper, dan kreegt ge hem vuil en lelijk terug. Soms ook wilden ze iets koken op het hof van de ene of de andere boer, het gebeurde dikwijls dat ze verjaagd werden. Maar dan liepen ze naar de schuur en maakten daar een groot vuur. Opdat het stro niet zou verbranden, streken ze er een bijzondere stof op. Maar als iemand van het huis het riskeerde hen te beloeren, dan vloog het stro in volle vlam. Nu ze zo lang genoeg de mensen hier gepest hadden, besloten de boeren dat kwaad gespuis te verjagen. Met heel het dorp gewapend met schoppen, rieken, bijlen en stokken, trokken ze naar de Dorenberg en joegen de Alvermannekens en hun Heibussen over de Demer, naar Rillaar toe en nog verder. Er schoten er nog enige over, maar later werden ook die verdreven en ze zijn nooit meer teruggekomen.
|